Om zeker te zijn van fraaie gebalanceerde opnamen onder vrijwel alle omstandigheden kunt u gebruikmaken van een hele reeks belichtingsinstellingen en aanpassingsmogelijkheden.
Belichtingsfuncties
Er zijn vier belichtingsfuncties: Automatisch programma, diafragmavoorkeuze, sluitertijdvoorkeuze en een handmatige instelling. Bij het automatische programma kiest de camera automatisch op basis van een aantal meetgegevens de optimale diafragmawaarde en sluitertijd. Hierbij zijn verschuivingen mogelijk.
De meeste E-System-camera's beschikken daarnaast over een aantal speciale scèneprogramma's waarbij automatisch bepaalde instellingen worden gekozen. Als u een van deze programma's kiest, vindt u op de LCD nadere instructies.
Meetmethoden
Digitale ESP-belichtingsmeting
De camera meet de lichtniveaus en berekent de verschillen tussen de verschillende delen van het kader; zowel in het midden als aan de randen. Deze methode wordt aanbevolen voor de meeste standaardsituaties maar kan bijvoorbeeld ook prima worden gebruikt voor situaties waarbij sprake is van tegenlicht.
Centraal gewogen gemiddelde-meting
In tegenstelling tot bij de digitale ESP-meting wordt er bij de centraal gewogen gemiddelde-meting meer nadruk gelegd op de metingen in het midden van het kader. Hier geeft ca. 6% in het midden van het totale beeld de meeste belichtingsinformatie. Tegelijkertijd wordt een aantal metingen uitgevoerd aan de randen van het beeld om tot een gemiddelde te komen. Deze methode wordt aanbevolen wanneer u niet wilt dat de belichtingswaarde wordt beïnvloed door de achtergrond.
Spot-meting
Met metingen in ca. 2% in het midden van het kader is deze methode ideaal wanneer u een bepaald element in de opname wilt uitlichten. Bij de E-500 beschikt u ook over metingen in de over- en onderbelichte delen, wat zorgt voor een nog grotere precisie.
AEL-vergrendelingsknop
De belichtingsinstellingen en AF-instellingen kunnen worden vastgezet met één druk op de AEL-knop. Vervolgens kan men eenvoudig opnieuw het kader van de opname bepalen.
Belichtingscompensatie
In sommige situaties is het resultaat mooier wanneer de belichtingswaarden handmatig worden bijgesteld. De belichtingsinstellingen en belichtingscompensatie kunnen worden aangepast in stappen van 1/3, 1/2 of 1 EV tot een maximum van +/- 5 EV. Deze aanpassing blijft actief voor achtereenvolgende opnamen.
Belichtingsbracketing
Bij gebruik van de bracketingfunctie maakt de camera meerdere opnamen met verschillende belichtingswaarden. In situaties waar het lastig is om de juiste belichting vast te stellen, geeft de bracketingfunctie u de mogelijkheid om meerdere opnamen te maken en vervolgens het beste resultaat te kiezen. Het is mogelijk om achtereenvolgens 3 of 5 repeterende opnamen te maken, maar de opnamen kunnen ook handmatig worden gemaakt. Dit is bijvoorbeeld ideaal wanneer de voorwerpen snel bewegen, maar niet voortdurend. Denk hierbij aan marathonlopers.
De bracketingfunctie kan worden gebruikt bij alle belichtingsfuncties. Bij de automatische belichting worden de diafragmawaarde en sluitertijd gewijzigd. Bij de diafragmavoorkeuze en sluitertijdvoorkeuze worden de voorgedefinieerde waarden gehandhaafd en worden alleen de tegenwaarden gewijzigd. Bij de handmatige modus wordt uitgegaan van de diafragmawaarde zodat de sluitertijd eventueel wordt aangepast.
Bereik
Dankzij het grote bereik kunnen ook onder donkere omstandigheden nauwkeurige lichtmetingen worden uitgevoerd. De ESP-meting en de centraal gewogen gemiddelde-meting werken bij lichtniveaus tussen de 1 EV en 20 EV.